Geschiedenis
Vrijwel niets is binnen het Karate zoveel besproken als de oorsprong ervan. Volgens de overleveringen zou de Indiase monnik Bodhidarma, ook wel Tamo genoemd, de Shih Pa Lo Han Sho (de achttien handtechnieken van Lohan) aan de Chinese monniken van Shaolin hebben geleerd. Bodhidarma's kunst, vajramushti, was waarschijnlijk sterk verwant aan het Indiase Kalaripayit (dorpsvechtkunst). Hierin kent men Suvadu's ofwel loopvormen zoals we die vandaag de dag in Karate kennen als Kata (Poom-Se). Ook het Kyusho Jitsu (Dim-Mak) is terug te voeren naar het Indiase Marma-Adi. De invloeden van het legendarische Shaolin klooster op het hedendaagse Kempo-Karate, werd door de invoering van de Karatebijbel 'de Bubishi' op het eiland Okinawa vergroot.
 

Het Chinese en Okinawaanse handelsverkeer zorgde voor een goede vermenging en verspreiding van de Chinese krijgskunst Chuan-Fa (beter bekend als Kung Fu) met het Okinawaanse Shuri-Te. Shuri-Te, de voorloper van het huidige Karate, was de belangrijkste vechtkunst op Okinawa en was een uitvinding van de hoofdbeveiliger van de Koning, Sokon Matsumura (zie foto rechtsboven). Matsumura wordt dan ook niet voor niets gezien als de belangrijkste man uit de geschiedenis van het Karate. Vanuit Okinawa bracht Karate-meester Gichin Funakoshi het systeem uiteindelijk in Japan. Door de Japanse bezetting van Korea was het in die tijd steng verboden om Koreaanse cultuur te bezigen. Koreanen mochten echter wel Judo, Karate of Kendo leren. De Koreanen hadden wel enkele eigen krijgskunsten, Subhak en Taekyon genaamd, zoals de Mooye Dobho Tongji, het boek over de Koreaanse krijgskunsten hen duidelijk maakte maar van plaatjes kon niemand iets leren. De Koreanen hadden daardoor zelf geen idee hoe de krijgskunsten van hun voorouders er nu werkelijk in beweging uitzagen. Tijdens de Japanse bezetting zagen zij de kans om hun krijgskunsten met behulp van Chinese en Japanse leraren te reconstrueren waardoor de Koreaanse stijlen sterk beïnvloed werden door de cocktail van invloeden die het Karate en Kung Fu hadden ondergaan. Karate werd in Korea uitgesproken als Kong Soo Do. (bron: Professor Dr. Bok Hyu Choi).
 
Gedurende deze periode trainde prominente Koreaanse Kong Soo Do leraren zoals Lee Nam Suk onder Gichin Funakoshi. Hij noemde zijn stijl Song Do Kan Kong Soo Do (ofwel Shotokan Karate). Zijn grote vriend Byung In Joong trainde zich in China in het Chuan-Fa en studeerde later onder de beroemde Japanse Karateleraar Kanken Toyoma. Hij noemde zijn stijl Kwon Bop Kong Soo Do (ofwel Kempo Karate). Dit werd later de grootste school van Korea: de Chang Moo Kwan. In 1946 stichtte de vijf grootste Koreaanse scholen de Korea Kongsoodo Association maar deze werd later ontbonden vanwege de te Japanse naam. Hierna veranderde men de naam in Tae Soo Do  en later inTae Kwon Do. Velen bleven standvastig de term Kong Soo Do handhaven, ofwel simpelweg... Karate!
 

Toch mogen we nooit zeggen dat de vechtkunsten hier of daar zijn ontstaan. Op ieder continent in de wereld werd van oudsher gevochten en wist men technieken en tactieken te ontwikkelen om te overleven. De boog, speer en het zwaard kende men in vrijwel alle culturen ter wereld, al lang voordat deze met elkaar in aanraking kwamen. Het bovenstaande verhaal is dus enkel een rode draad door het verhaal die de duidelijke invloeden van het Kong Soo Do aan het licht brengen.

Kong Soo Do demonstratie